Sombere prognoses gemeentefinanciën

In het coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV uit december 2021 zijn politieke keuzes gemaakt die de bestedingsruimte van gemeenten inperken. Opvallend is vooral dat de zogeheten opschalingskorting vanaf 2026 weer zal oplopen en dat de sinds 1994 bestaande praktijk om de groei van het gemeentefonds (“accres”) te koppelen aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven slechts wordt voortgezet tot en met 2025. Voor latere jaren wordt het accres bevroren.


Wat dit voor gemeenten precies gaat betekenen is onduidelijk. In opdracht van de VNG heeft COELO prognoses gemaakt voor de bestedingsruimte van gemeenten voor de jaren 2022-2028. Hiervoor worden de verwachte inkomsten vergeleken met de verwachte uitgaven bij ongewijzigd gemeentelijk beleid. De prognoses zijn gemaakt voor twee scenario’s: met vastgezet accres na 2025 (coalitieakkoord) en met een groeiend accres (bestaande systematiek). Het saldo van netto uitgaven en algemene middelen geeft aan in hoeverre gemeenten bij ongewijzigd beleid kunnen rondkomen.


In het scenario met vastgezet accres is het saldo van netto uitgaven en algemene middelen vanaf 2026 negatief, oplopend tot -6,2 miljard in 2028 (zie figuur). In het scenario waarin de bestaande accressystematiek ook na 2025 wordt voortgezet (en waarin de rijksuitgaven lineair doorgroeien) blijft dit saldo positief (1 miljard in 2028). Verschillende factoren en ontwikkelingen die relevant zijn voor de financiële ruimte van gemeenten konden in dit onderzoek niet worden meegenomen. Gegeven die beperkingen zou het saldo van algemene middelen en netto uitgaven bij bestaand gemeentelijk beleid structureel een aanzienlijk overschot moeten kennen om gemeenten in staat te stellen te doen wat er van ze wordt verwacht. Daarvan is geen
sprake.


Download hier het rapport Financiële ruimte gemeenten 2022-2028

1 juli 2022

Advies uitkeringsstelsel naar Kamer

Een belangrijk onderdeel van de financiële verhoudingen wordt gevormd door de uitkeringen waarmee decentrale overheden vanuit het Rijk worden bekostigd. Al langer leeft de behoefte om dit uitkeringsstelsel beter aan te laten sluiten bij de gewijzigde bestuurlijke verhoudingen.

In 2018 meldde de minister van BZK aan de Tweede Kamer dat er problemen waren met de decentralisatie-uitkering die zou werken als een semi-specifieke uitkering, met de druk die sommige convenanten zetten op de beleidsvrijheid van medeoverheden en met de verrommeling van het stelsel door de veelheid aan (weinig onderscheidende) uitkeringstypen. Daarbij kwam dat de Algemene Rekenkamer in 2019 en 2020 decentralisatie-uitkeringen uit het gemeentefonds en het provinciefonds als onrechtmatig bestempelde omdat er bestuurlijke afspraken aan waren verbonden, iets dat wettelijk niet mag.

Ook leek er behoefte te bestaan aan een nieuw te ontwikkelen uitkeringsvorm waarbij geen sprake is van verticale financiële verantwoording en waarbij meer beleidsvrijheid wordt gelaten aan decentrale overheden, bedoeld voor situaties waarin Rijk en decentrale overheden afspraken willen maken over het realiseren van een gezamenlijke opgave.

In opdracht van het ministerie van BZK en dat van Financiën heeft COELO, samen met onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen, de Vrije Universiteit en de Universiteit Maastricht, een adviesrapport geschreven over het uitkeringsstelsel.

De centrale vraag luidt:

Hoe moet de instrumentenkoffer (‘financiële instrumenten’) om middelen over te dragen aan decentrale overheden (naast de algemene uitkering) eruitzien?

Daarbij gaat het vooral om de volgende aspecten:

  • De mate waarin bestaande instrumenten (beter) gebruikt zouden kunnen worden;
  • De mate waarin aanvullende instrumenten nodig zijn;
  • Indien aanvullende instrumenten nodig zijn, hoe die vormgegeven zouden moeten worden.

Dit advies is nu aangeboden aan de Tweede Kamer. De onderzoekers komen met 12 concrete aanbevelingen. In de begeleidende brief schrijft de minister: “Het rapport is richtinggevend voor de verdere uitwerking van de gewenste en benodigde aanpassingen in het uitkeringsstelsel.”

Het volledige rapport vindt u hier en op de website van de Tweede Kamer

30 maart 2022