1 Gemeentelijke herindeling en artikel 12-status

Gemeentelijke herindeling

Van 2018 op 2019 is het aantal gemeenten met 25 afgenomen tot 355. Op de kaart hiernaast zijn de gemeenten ingekleurd die de afgelopen jaren zijn heringedeeld.

Het kabinet (Rutte II) streefde aanvankelijk naar een radicale vermindering van het aantal gemeenten. Opschaling zou de bestuurskracht van gemeenten vergroten, en op termijn een miljard euro aan kosten besparen (volgens het regeerakkoord). Uit onderzoek blijkt echter dat herindelingen niet tot lagere uitgaven leiden.[i] Rutte II heeft later de opschalingsambities beperkt. Het kabinet Rutte III vind het wenselijk dat gemeenten die langdurig afhankelijk zijn van samenwerking worden samengevoegd.[ii] Het initiatief hiertoe wordt bij de provincies gelegd. Uit onderzoek blijkt echter dat ook grotere gemeenten veel samenwerken, en dat herindeling niet leidt tot minder samenwerking.[iii]

De figuur onder de kaart laat zien dat het aantal gemeenten al jaren gestaag afneemt. Bij het doortrekken van de bestaande trend zou Nederland in 2051 nog maar één gemeente overhebben.

Sommige heringedeelde gemeenten hanteren voor een aantal gemeentelijke belastingen nog verschillende tarieven in de territoria van de opgeheven gemeenten. In deze uitgave worden daarom de binnengemeentelijke tariefgebieden afzonderlijk weergegeven. De relevante binnengrenzen zijn op de kaart hiernaast wit ingetekend.

Artikel 12

Gemeenten die in ernstige financiële problemen verkeren, kunnen op grond van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet een aanvullende uitkering aanvragen. Dit kan als de algemene middelen van de gemeente aanmerkelijk en structureel tekortschieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, terwijl de eigen inkomsten zich op een redelijk peil bevinden. Dit laatste betekent (in 2019) concreet dat afvalstoffenheffing en rioolheffing kostendekkend moeten zijn en dat het gewogen gemiddelde ozb-tarief ten minste 0,1905 procent van de woz-waarde moet bedragen. Niet-kostendekkende tarieven voor riool en reiniging zijn alleen toegestaan voor zover deze door een hoger ozb-tarief worden gecompenseerd.

Artikel 12-gemeenten zijn dus genoodzaakt hoge tarieven te hanteren. Of dit ook altijd tot hoge lasten voor hun inwoners leidt, hangt af van de waarde van de onroerende zaken binnen deze gemeenten.

Aantal artikel 12-gemeenten gestabiliseerd

In de jaren tachtig van de vorige eeuw hadden nog tientallen gemeenten de artikel 12-status. Sindsdien is dit aantal gestaag teruggelopen, onder meer door de voortdurende gemeentelijke herindelingen en de invoering van de nieuwe Financiële-verhoudingswet uit 1997, die beter rekening houdt met kostenverschillen tussen gemeenten.[iv] Dit jaar is er, net als vorig jaar, één artikel 12-gemeente.[v] Op de kaart is die gemeente (Vlissingen) geel gekleurd.

Het artikel 12-vangnet is specifiek Nederlands. Andere landen zijn huiverig om gemeenten in nood te redden, omdat dit onverantwoordelijk beleid zou uitlokken. In Nederland zijn daar echter geen aanwijzingen voor.[vi]

Aantal Nederlandse gemeenten sinds 1950


[i] B. Geertsema (2017). The economic effects of municipal amalgamation and intermunicipal cooperation. Groningen: University of Groningen, en M.A. Allers, J.B. Geertsema (2014). Geen grotere doelmatigheid door herindeling gemeenten, ESB, juni 2014, blz. 406-409. Onderzoek in Denemarken komt tot dezelfde conclusie, zie J. Blom-Hansen, K. Houlberg, S. Serritzlew en D. Treisman (2916). Jurisdiction Size and Local Government Policy Expenditure: Assessing the Effect of Municipal Amalgamation, American Political Science Review, 110, 812-831.

[ii] VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017-2021. 10 oktober 2017.

[iii] M.A. Allers (2019), Gemeentelijke fusies leiden niet tot minder samenwerking, ESB 104 (4770), 14 februari 2019, 76-79.

[iv] M.A. Allers (2014), The Dutch local government bailout puzzle, Public Administration, 93, 451-470.

[v] Lelystad is formeel wel een artikel 12-gemeente, maar materieel niet. In het verleden zijn voor Lelystad zogeheten ICL-gelden aan het gemeentefonds toegevoegd en via artikel 12 aan die gemeente uitgekeerd. Sinds 1998 krijgt Lelystad geen reguliere artikel 12-uitkering meer, maar worden de aan het gemeentefonds toegevoegde gelden nog wel via artikel 12 uitgekeerd. Die uitkering komt dus niet meer ten laste van de collectiviteit van de gemeenten, zoals bij artikel 12-uitkeringen gebruikelijk is.

[vi] M.A. Allers (2014), The Dutch local government bailout puzzle, Public Administration, 93, 451-470.

10 Mutatie OZB-tarief niet-woningen

Mutatie

Kaart 10 laat zien in hoeverre het ozb-tarief voor niet-woningen is veranderd. Een deel van de jaarlijkse tariefaanpassing is bedoeld om te compenseren voor de ontwikkeling van de waarde van onroerende zaken. Immers, wanneer deze waarde stijgt kan met een lager tarief dezelfde opbrengst worden verkregen. Bij een waardedaling is een hoger tarief nodig om ten minste dezelfde opbrengst te houden. De tariefmutatie in kaart 10 is daarom gecorrigeerd voor de gemiddelde waardeontwikkeling van niet-woningen binnen elke gemeente.

De tariefmutatie varieert van een daling van 22 procent in de voormalige gemeente Oud-Beijerland (nu onderdeel van Hoeksche Waard) tot een stijging met 71 procent in de voormalige gemeente Onderbanken (nu onderdeel van Beekdaelen). Het tarief voor niet-woningen was in Oud-Beijerland hoger dan dat van de vier fusiepartners. In Onderbanken waren de tarieven juist lager dan die van de twee fusiepartners. Na de herindeling wordt in de hele nieuwe gemeente dezelfde ozb-tarieven gehanteerd waardoor de tarieven in Oud-Beijerland sterk dalen en in Onderbanken sterk stijgen.

Het gemiddelde tarief stijgt met 4,3 procent. 64 gemeenten verlagen het (voor waardeontwikkeling gecorrigeerde) tarief. Dat betekent dat daar de opbrengst daalt, tenzij er meer onroerende zaken zijn bijgekomen die onder deze belasting vallen (volume-effect).

16 Afvalstoffenheffing: tariefsystemen

Op de kaart hiernaast is te zien dat de meeste gemeenten het tarief van de afvalstoffenheffing laten afhangen van de huishoudensomvang. Ook een vastrecht komt nog wel voor. Soms is de tariefstructuur erg ingewikkeld.

Aandeel diftar aanzienlijk

Bij een vastrecht, of een tarief gekoppeld aan de huishoudensomvang, kost het aan de straat zetten van meer afval de burger niets extra, maar dit levert de gemeente wel meer kosten op. Door het ontbreken van een prijs voor het aanbieden van meer afval is de hoeveelheid afval vermoedelijk groter dan in de optimale situatie. Om de burger een direct belang te geven bij het beperken van de afvalstroom is het tarief in een groot aantal gemeenten daarom gekoppeld aan de aangeboden hoeveelheid afval (gedifferentieerd tarief, ofwel diftar). Op de kaart zijn deze gemeenten in blauw aangegeven. Men betaalt dan per kilo, per zak of per lediging (vaak gecombineerd met een vastrecht). Het aandeel gemeenten dat huishoudens meer laat betalen naarmate zij meer afval aan de straat zetten is vanaf de tweede helft van de jaren negentig flink toegenomen.

Dit jaar voeren 5 gemeenten diftar in. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten die diftar invoeren vaak in gebieden liggen waar al veel diftargemeenten zijn.[i] Dat is op de kaart goed terug te zien. In 2000 woonde 9,7 procent van de Nederlanders in een diftargemeente. Dat is opgelopen tot 31,0 procent dit jaar, tegen 30,0 procent vorig jaar. In de meeste gevallen hanteren diftargemeenten een bedrag dat afhangt van het aantal keren dat de container wordt geleegd (21,8 procent van alle huishoudens; doorgaans in combinatie met de grootte van de container). Betaling per zak (5,8 procent) of per kilo (3,3 procent) komt ook voor. Woerden hanteert een afwijkend tariefsysteem. In deze gemeente betalen huishoudens een vastrecht, maar als aantal ledigingen beperkt blijft dan krijgt men aan het eind van het jaar geld terug.

Met diftar minder afval

Uit COELO-onderzoek blijkt dat diftargemeenten per inwoner minder afval inzamelen.[ii] De hoeveelheid gft-afval kan vrij eenvoudig worden verminderd door zelf een compostbak in de tuin zetten. Bij restafval zijn de mogelijkheden wat beperkter. In diftargemeenten wordt meer afval gescheiden aangeboden (papier, glas enzovoort).

Hoewel diftar leidt tot minder afval, en dus tot kostenbesparingen, brengt het wel weer nieuwe kosten met zich mee. In gemeenten waar per kilo wordt betaald moeten afvalwagens worden uitgerust met meetapparatuur en er moet voor worden gezorgd dat huishoudens op de juiste manier worden gefactureerd. Ook voor burgers zijn er (immateriële) kosten. Zij gaan bijvoorbeeld vaker naar de glasbak. Per saldo blijken de kosten en de milieubaten ongeveer tegen elkaar op te wegen.[iii]

Naast milieuoverwegingen kunnen er andere redenen zijn om diftar in te voeren. Bijvoorbeeld dat huishoudens die weinig vuil produceren dan niet opdraaien voor de kosten veroorzaakt door huishoudens die veel afval kwijt willen.

Omgekeerd inzamelen

Onder het motto ‘afval bestaat niet’ worden huishoudens gestimuleerd afval zo veel mogelijk te scheiden waardoor dit kan worden hergebruikt. Ook is het in steeds meer gemeenten mogelijk om ook metaal en drankkartons gescheiden aan te bieden. Diftar kan huishoudens dan nog eens extra stimuleren om afval zo veel mogelijk gescheiden aan te leveren. Een relatief nieuwe manier om huishoudens te stimuleren om hun afval goed te scheiden is via ‘omgekeerd inzamelen’. In gemeenten met dit inzamelingssysteem worden afvalstromen die kunnen worden hergebruikt huis-aan-huis ingezameld. Het restaval moeten huishoudens zelf wegbrengen naar verzamelcontainers. In 2019 zijn er 29 gemeenten waar dit inzamelsysteem in de hele gemeente wordt gehanteerd.[iv] Deze gemeenten zijn op kaart 16 grijs omlijnd.


[i] Zie M.A. Allers, C. Hoeben (2010), Effects of Unit-Based Garbage Pricing: A Differences-in-Differences Approach, Environmental and Resource Economics, 45, 405-428.

[ii] Zie M.A. Allers, C. Hoeben (2010), Effects of Unit-Based Garbage Pricing: A Differences-in-Differences Approach, Environmental and Resource Economics, 45, 405-428; of M.A. Allers, C. Hoeben, Met gedifferentieerd tarief minder afval, ESB, 16 oktober 2009, blz. 621-622.

[iii] Zie M.A. Allers, C. Hoeben (2010), Effects of Unit-Based Garbage Pricing: A Differences-in-Differences Approach, Environmental and Resource Economics, 45, 405-428; of M.A. Allers, C. Hoeben, Met gedifferentieerd tarief minder afval, ESB, 16 oktober 2009, blz. 621-622.

[iv] Buiten de bebouwde kom is de afstand naar een verzamelcontainer voor restafval al snel erg groot. Een deel van de gemeenten die omgekeerd inzamelt haalt daarom het restafval in het gebied buiten de bebouwde kom wel huis-aan-huis op. Deze gemeenten zijn op de kaart weergegeven als gemeenten met omgekeerd inzamelen in de hele gemeente.

27 Woonlasten eenpersoonshuishouden met eigen woning

Maatstaf

Ozb, rioolheffing en afvalstoffenheffing vormen samen, na aftrek van een eventuele heffingskorting (in de 8 grijs-omlijnde gemeenten op kaart 27), de gemeentelijke woonlasten voor huishoudens met een eigen woning. Op de kaart hiernaast zijn eigenaren- en gebruikersheffingen samengevoegd. Huurders betalen minder aan de gemeente dan de kaart aangeeft (zie hiervoor kaart 31 en 32), maar de eigenarenheffingen kunnen bij hen (deels) in de huurprijs zijn opgenomen.

Er is discussie mogelijk over de beste manier waarop een woonlastenindicator kan worden samengesteld.[i] De kaart laat het bedrag zien dat een eenpersoonshuishouden in een woning met een gemiddelde waarde moet betalen. Met kwijtschelding is hier nog geen rekening gehouden (zie hiervoor kaart 40 tot en met 42). De gemiddelde woonlasten voor een meerpersoonshuishouden staan op kaart 28. Het gemiddeld betaalde bedrag voor een bepaald huishoudenstype geeft de beste indruk van de woonlasten voor huishoudens.

Vanuit de gemeenten gezien heeft deze woonlastenindicator het belangrijke nadeel dat geen rekening wordt gehouden met het feit dat gemeenten met relatief dure woningen minder geld uit het gemeentefonds krijgen. Deze gemeenten moeten daarom meer belasting binnenhalen om een gelijkwaardig voorzieningenniveau aan te kunnen bieden. Gemeenten met hoge woonlasten beschikken dus niet altijd over veel middelen om voorzieningen te bekostigen. Kaart 30 geeft een beeld van de bedragen die de gemeenten van de woonlasten overhouden (netto woonlasten).

Cijfers

De hoogste eenpersoonslasten voor een gemiddelde woning vinden we in Bloemendaal, met 1.330 euro. Blaricum bezet met 1.034 euro de tweede plaats. De meeste dure gemeenten hebben gemeen dat het gemiddelde huishoudensinkomen en de gemiddelde woningwaarde ver boven het landelijke gemiddelde liggen. Zoals gezegd hangt dit mede samen met de verdeelsystematiek van de algemene uitkering, die gemeenten met hoge woz-waarden in de praktijk dwingt tot hoge lasten.

Het goedkoopst is dit jaar Aalten (422 euro). Daarna komt Baarle-Nassau (472 euro). Gemeentelijke woonlasten voor eenpersoonshuishoudens kunnen in de ene gemeente dus 3,2 keer zo hoog zijn als in de andere. Het gewogen gemiddelde ligt op 672 euro. Dat is 21 euro (3,3 procent) hoger dan vorig jaar.

Heffingskorting

Gemeenten kunnen een heffingskorting verlenen, een overblijfsel uit de tijd van de zogeheten zalmsnip die tot 2005 bestond. Als de heffingskorting is gekoppeld aan een bepaalde belasting is het desbetreffende bedrag door ons simpelweg afgetrokken van het desbetreffende tarief. Alleen in de overige gevallen spreken wij in deze atlas nog van een heffingskorting.

Deze heffingskorting bestaat in 2019 in 8 gemeenten, één meer dan vorig jaar. De korting varieert van 16 euro in Veldhoven tot 181 euro voor in De Ronde Venen. De Ronde Venen compenseert via de heffingskorting het bedrag dat netbeheerders en het drinkwaterbedrijf de afgelopen jaren hebben doorberekend in hun tarieven omdat de gemeente hen precariobelasting oplegt. Het is efficiënter om als gemeente geen precariobelasting in rekening te brengen bij nutsbedrijven dan om dat wel te doen en dan vervolgens de opbrengst te gebruiken om de inwoners te compenseren. Inwoners uit andere gemeenten, die veelal niet profiteren van de voorzieningen van de heffende gemeenten betalen ook mee via de netbeheerder, maar ontvangen geen compensatie (zie ook kaart 35).


[i] Zie ook de Atlas van de lokale lasten 2001, blz. 15-18.

40 Kwijtscheldingsmogelijkheden afvalstoffenheffing

Kwijtscheldingsbeleid

De voorwaarden waarbinnen gemeenten kwijtschelding mogen verlenen van belastingen en heffingen zijn door het Rijk nauw omschreven.[i] De gemeenteraad heeft slechts de vrijheid te besluiten minder kwijt te schelden dan de rijksregels toestaan (bij afzonderlijk besluit), of zelfs in het geheel geen kwijtschelding te verlenen.[ii] Gemeenten kunnen zelf bepalen welke gemeentelijke belastingen onder het kwijtscheldingsbeleid vallen. Aan kwijtschelding waren in het verleden hoge uitvoeringskosten verbonden. Kwijtschelding is echter steeds meer geautomatiseerd mogelijk wat de kosten drukt. Eén gemeente (Brummen) kent geen kwijtschelding, maar wel een soortgelijke regeling onder de vlag van het armoedebeleid. Op die manier is het mogelijk te ontkomen aan de strenge (rijks)voorwaarden, vooral wat betreft de individuele toetsing en de vermogensnorm.

Afvalstoffenheffing

In 2019 is in alle gemeenten kwijtschelding mogelijk van de afvalstoffenheffing (zie kaart 40). Verreweg de meeste gemeenten staan in principe volledige kwijtschelding toe, mits aan alle voorwaarden op het gebied van inkomen en vermogen wordt voldaan.

36 procent van de gemeenten stelt een plafond aan het kwijt te schelden bedrag. Dit kan een vast bedrag zijn, of een deel van de aanslag. Dit komt vooral voor bij gemeenten die het tarief hebben gekoppeld aan de hoeveelheid aangeboden afval (diftar). Door bijvoorbeeld alleen kwijtschelding te verlenen van het vastrechtgedeelte blijft de prikkel behouden om de afvalstroom te beperken. Ook wordt zo voorkomen dat buren hun afval gratis in de container kunnen gooien van iemand waarvan de aanslag toch wordt kwijtgescholden.

Groningen scheldt ten hoogste 57 procent van het aanslagbedrag kwijt. Met ingang van 2007 krijgen mensen die vijf jaar of langer op het sociale minimum zitten wel volledige kwijtschelding van de afvalstoffenheffing.

Kwijtscheldingsnorm

Alle gemeenten die kwijtschelding verlenen hanteren de maximale kwijtscheldingsnorm van 100 procent.[iii] In de praktijk betekent een norm van 100 procent dat huishoudens met inkomen op bijstandsniveau voor kwijtschelding in aanmerking komen, mits zij de vermogenstoets doorstaan. Bij een norm van 90 procent, die door het Rijk wordt gehanteerd, komen alleen huishoudens met uitzonderlijk hoge vaste lasten in aanmerking voor kwijtschelding.


[i] Om na te gaan of iemand voor kwijtschelding in aanmerking komt, wordt eerst nagegaan of vermogen aanwezig is. Is dat zo, dan kan geen kwijtschelding worden verleend. Dit betekent dat huizenbezitters pas voor kwijtschelding in aanmerking komen nadat zij hun huis hebben “opgegeten”. In de praktijk is deze vermogenstoets soms minder streng dan op papier. Vermogen is moeilijk te controleren. Is geen vermogen aanwezig, dan dient de betalingscapaciteit te worden vastgesteld. Is die ontoereikend, dan kan kwijtschelding worden verleend. Om de betalingscapaciteit vast te stellen wordt eerst het netto besteedbare inkomen berekend: dit is het netto inkomen na aftrek van een aantal vaste lasten. Van het netto inkomen worden vervolgens de kosten van bestaan (ook wel: kwijtscheldingsnorm) afgetrokken. Met ingang van 1996 is het lagere overheden toegestaan een norm te hanteren van maximaal 100 procent van de relevante bijstandsnorm (het Rijk zelf blijft het percentage van 90 hanteren, dat vroeger ook voor lagere overheden gold). Is de aldus vastgestelde betalingscapaciteit positief, dan moet (zo nodig) 80 procent hiervan voor belastingbetaling worden opgeëist. De rest kan worden kwijtgescholden. Is geen betalingscapaciteit aanwezig, dan kan de gehele belastingschuld worden kwijtgescholden.

[ii] Daarnaast kan de gemeente sinds 2011 kwijtschelding verlenen aan ondernemers zonder personeel. Sinds 2012 mogen de kosten van kinderopvang worden meegenomen bij de berekening van het besteedbare inkomen en kunnen voor huishoudens die AOW-gerechtigd zijn aangepaste inkomensnormen worden gehanteerd.

[iii] Een kwijtscheldingsnorm van 100 procent betekent dat de kosten van bestaan op 100 procent van de relevante bijstandsnorm worden gesteld. De kosten van bestaan worden geacht eerst uit het inkomen te worden bestreden. Alleen als er dan nog inkomen over is, is geld beschikbaar voor het betalen van belasting.

43 Toeristenbelasting: Tariefsystemen

Algemeen

Het aantal gemeenten dat toeristenbelasting hanteert groeit al jaren gestaag.[i] Dit jaar kent 83 procent van de gemeenten een toeristenbelasting. 9 (delen van) gemeenten voeren deze in. Geen enkele gemeente schaft de belasting dit jaar af.

De tariefstructuur van de toeristenbelasting kan buitengewoon ingewikkeld zijn, met aparte tarieven voor campings, bungalows, diverse soorten hotels, enzovoort. Wij hebben primair gekeken naar hotelovernachtingen. Waar geen hotel is kan de belasting betrekking hebben op een overnachting in een pension of op een camping.

Tariefsystemen

Een vast bedrag per overnachting komt het meest voor (in 76 procent van alle gemeenten, zie de figuur onder de kaart). Soms wordt wel reductie gegeven voor scholen of andere groepen. Ook komt het voor dat het te betalen bedrag afhangt van de overnachtingsprijs (in 4,8 procent van de gemeenten) of het aantal sterren van het hotel (0,8 procent). Dit komt met name voor bij de grote steden. In sommige gemeenten betalen kinderen een lager tarief (bijvoorbeeld in Rucphen) of geen toeristenbelasting (bijvoorbeeld in Alkmaar). Op Schiermonnikoog is de eerste overnachting duurder dan latere overnachtingen bij een meerdaags verblijf. Op Ameland, Terschelling en Vlieland betalen toeristen niet alleen een bedrag per overnachting, maar ook een bedrag voor aankomst op het eiland. Dat laatste zit verwerkt in het tarief van de veerboot.

Forfaitaire bedragen

Veel gemeenten maken gebruik van forfaitaire bedragen. Een hotel of camping wordt dan bijvoorbeeld aangeslagen voor een van tevoren vastgesteld aantal overnachtingen. Is het werkelijke aantal lager, dan kan de eigenaar verzoeken conform het feitelijke overnachtingstarief te worden aangeslagen.

 

 

Percentage van de bevolking per tariefsysteem


[i] Zie C. Hoeben (2018), Gemeenten heffen vaker en méér toeristenbelasting, ESB, https://esb.nu/kort/20040294/gemeenten-heffen-vaker-en-meer-toeristenbelasting

48 Tarief paspoort

Algemeen

Om naar het buitenland te kunnen reizen is een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart nodig. Een identiteitskaart is iets goedkoper dan een paspoort, maar wordt lang niet door alle landen geaccepteerd. Een paspoort wel. Beide reisdocumenten zijn verkrijgbaar bij de gemeente waar men staat ingeschreven. Paspoorten en identiteitskaarten voor iemand die jonger is dan 18 jaar zijn goedkoper dan de hier weergegeven bedragen. Dergelijke identiteitspapieren zijn dan vijf jaar geldig.[i] We gaan hier uit van identiteitspapieren voor volwassenen die tien jaar geldig zijn.

Tarief

Voor zowel paspoorten als identiteitskaarten geldt een maximumtarief. Het maximumtarief voor een paspoort is 71,37 euro. Hiervan is 40 euro voor het Rijk (5,39 meer dan vorig jaar) en 31,37 (0,68 euro meer dan vorig jaar) euro voor de gemeente. Kaart 48 laat zien hoeveel een paspoort in iedere gemeente kost. Sommige gemeenten geven in bepaalde perioden kortingen om te voorkomen dat er in piekperioden grote drukte ontstaat bij de loketten. Hiermee is in de kaart geen rekening gehouden.

Het goedkoopste paspoort wordt verstrekt door Noordwijk (62,50 euro). Het duurst zijn de 271 gemeenten die het maximumtarief hanteren (71,37 euro of het afgeronde bedrag (71,35 euro)). Het maximumtarief is in de praktijk dus het standaardtarief geworden.

De gemiddelde prijs bedraagt 70,68 euro. Dat is een stijging van 5,46 euro (8,4 procent) ten opzichte van vorig jaar. Deze stijging komt voornamelijk doordat het rijksdeel, het deel van het tarief dat voor het rijk is, is gestegen (5,39 euro).


[i] Het maximumtarief voor een paspoort voor iemand die jonger is dan 18 jaar is 53,97 euro, het maximumtarief voor een identiteitskaart voor iemand die jonger is dan 18 jaar 29,95 euro.

56 Dakkapel

Omgevingsvergunning

Sinds 1 oktober 2010 zijn vergunningen voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu allemaal gebundeld in de omgevingsvergunning. Van deze vergunningen trekken de kosten voor het bouwen en verbouwen van woningen de meeste aandacht. Er is kritiek op de verschillen in de tarieven die gemeenten hiervoor rekenen, en op de onduidelijkheid over de achtergronden van deze verschillen. Gemeenten mogen niet verdienen aan de kosten die ze in rekening brengen. De ene gemeente maakt echter hogere kosten dan de andere en, belangrijker nog, hanteert een andere methode om deze kosten over de aanvragers te verdelen. Het is moeilijk om objectief vast te stellen hoe hoog de kosten zijn van een aanvraag voor een dakkapel in verhouding tot die van een nieuwbouwwoning. Een gemeente waar de ene soort aanvraag relatief duur is kan voor een andere aanvraag juist goedkoop zijn. Daar komt bij dat de aantallen aanvragen op voorhand niet bekend zijn, en per jaar sterk kunnen variëren.

Er is ook kritiek op de verschillende tariefsystemen die gemeenten hanteren. Het tarief kan een vast percentage van de bouwsom zijn, maar ook zaagtandconstructies komen voor. De gemeente hanteert in dat geval gestaffelde bouwkosten en per staffel geldt een vast bedrag. De Hoge Raad heeft in 2017 bepaald dat zo’n tariefsysteem niet in strijd hoeft te zijn met de wet of een rechtsbeginsel.[i]

De kaarten hiernaast geven de bedragen per gemeente voor drie verschillende bouwprojecten. In de meeste gevallen zijn de kosten van een vergunning gekoppeld aan de bouwkosten. Waar dat niet het geval is, is de desbetreffende gemeente grijs gelaten.

Dakkapel

Niet elke dakkapel is vergunningsplichtig. Dat hangt onder meer af van de omvang en de ligging. Kaart 56 gaat uit van een dakkapel waarvoor wel een vergunning moet worden aangevraagd, en van bouwkosten ter hoogte van 10.000 euro exclusief btw.

Een vergunning voor een dergelijke dakkapel is het goedkoopst in Leiden: 41 euro. Voorschoten is met 960 euro het duurst. De gemiddelde kosten bedragen 337 euro, 0,7 procent meer dan vorig jaar. In 63 procent van de gemeenten liggen de kosten tussen 200 en 400 euro.


[i] Hoge Raad 30 juni 2017, nr. 16/05127.