1 Gemeentelijke herindeling en artikel 12-status

Gemeentelijke herindeling

Van 2018 op 2019 is het aantal gemeenten met 25 afgenomen tot 355. Op de kaart hiernaast zijn de gemeenten ingekleurd die de afgelopen jaren zijn heringedeeld.

Het kabinet (Rutte II) streefde aanvankelijk naar een radicale vermindering van het aantal gemeenten. Opschaling zou de bestuurskracht van gemeenten vergroten, en op termijn een miljard euro aan kosten besparen (volgens het regeerakkoord). Uit onderzoek blijkt echter dat herindelingen niet tot lagere uitgaven leiden.[i] Rutte II heeft later de opschalingsambities beperkt. Het kabinet Rutte III vind het wenselijk dat gemeenten die langdurig afhankelijk zijn van samenwerking worden samengevoegd.[ii] Het initiatief hiertoe wordt bij de provincies gelegd. Uit onderzoek blijkt echter dat ook grotere gemeenten veel samenwerken, en dat herindeling niet leidt tot minder samenwerking.[iii]

De figuur onder de kaart laat zien dat het aantal gemeenten al jaren gestaag afneemt. Bij het doortrekken van de bestaande trend zou Nederland in 2051 nog maar één gemeente overhebben.

Sommige heringedeelde gemeenten hanteren voor een aantal gemeentelijke belastingen nog verschillende tarieven in de territoria van de opgeheven gemeenten. In deze uitgave worden daarom de binnengemeentelijke tariefgebieden afzonderlijk weergegeven. De relevante binnengrenzen zijn op de kaart hiernaast wit ingetekend.

Artikel 12

Gemeenten die in ernstige financiële problemen verkeren, kunnen op grond van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet een aanvullende uitkering aanvragen. Dit kan als de algemene middelen van de gemeente aanmerkelijk en structureel tekortschieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, terwijl de eigen inkomsten zich op een redelijk peil bevinden. Dit laatste betekent (in 2019) concreet dat afvalstoffenheffing en rioolheffing kostendekkend moeten zijn en dat het gewogen gemiddelde ozb-tarief ten minste 0,1905 procent van de woz-waarde moet bedragen. Niet-kostendekkende tarieven voor riool en reiniging zijn alleen toegestaan voor zover deze door een hoger ozb-tarief worden gecompenseerd.

Artikel 12-gemeenten zijn dus genoodzaakt hoge tarieven te hanteren. Of dit ook altijd tot hoge lasten voor hun inwoners leidt, hangt af van de waarde van de onroerende zaken binnen deze gemeenten.

Aantal artikel 12-gemeenten gestabiliseerd

In de jaren tachtig van de vorige eeuw hadden nog tientallen gemeenten de artikel 12-status. Sindsdien is dit aantal gestaag teruggelopen, onder meer door de voortdurende gemeentelijke herindelingen en de invoering van de nieuwe Financiële-verhoudingswet uit 1997, die beter rekening houdt met kostenverschillen tussen gemeenten.[iv] Dit jaar is er, net als vorig jaar, één artikel 12-gemeente.[v] Op de kaart is die gemeente (Vlissingen) geel gekleurd.

Het artikel 12-vangnet is specifiek Nederlands. Andere landen zijn huiverig om gemeenten in nood te redden, omdat dit onverantwoordelijk beleid zou uitlokken. In Nederland zijn daar echter geen aanwijzingen voor.[vi]

Aantal Nederlandse gemeenten sinds 1950


[i] B. Geertsema (2017). The economic effects of municipal amalgamation and intermunicipal cooperation. Groningen: University of Groningen, en M.A. Allers, J.B. Geertsema (2014). Geen grotere doelmatigheid door herindeling gemeenten, ESB, juni 2014, blz. 406-409. Onderzoek in Denemarken komt tot dezelfde conclusie, zie J. Blom-Hansen, K. Houlberg, S. Serritzlew en D. Treisman (2916). Jurisdiction Size and Local Government Policy Expenditure: Assessing the Effect of Municipal Amalgamation, American Political Science Review, 110, 812-831.

[ii] VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017-2021. 10 oktober 2017.

[iii] M.A. Allers (2019), Gemeentelijke fusies leiden niet tot minder samenwerking, ESB 104 (4770), 14 februari 2019, 76-79.

[iv] M.A. Allers (2014), The Dutch local government bailout puzzle, Public Administration, 93, 451-470.

[v] Lelystad is formeel wel een artikel 12-gemeente, maar materieel niet. In het verleden zijn voor Lelystad zogeheten ICL-gelden aan het gemeentefonds toegevoegd en via artikel 12 aan die gemeente uitgekeerd. Sinds 1998 krijgt Lelystad geen reguliere artikel 12-uitkering meer, maar worden de aan het gemeentefonds toegevoegde gelden nog wel via artikel 12 uitgekeerd. Die uitkering komt dus niet meer ten laste van de collectiviteit van de gemeenten, zoals bij artikel 12-uitkeringen gebruikelijk is.

[vi] M.A. Allers (2014), The Dutch local government bailout puzzle, Public Administration, 93, 451-470.

2 Waardeontwikkeling woningen

Taxatie

De waarde van woningen en van niet-woningen wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld, waarbij het peiljaar telkens een jaar opschuift. Voor 2019 geldt de waarde op 1 januari 2018. Vorig jaar was dat 2017. Helaas kan de nieuwe waarde van sommige objecten pas in een laat stadium definitief worden vastgesteld (onder meer als gevolg van bezwaar- en beroepsprocedures), zodat gemeenten hun definitieve ozb-tarieven pas laat kunnen vaststellen. De ozb-tarieven moeten weliswaar voor het begin van het jaar worden gekozen, maar mogen in de loop van het jaar nog worden verlaagd (niet verhoogd).

De waarde van de onroerende zaken binnen de gemeentegrenzen kan ook zijn toegenomen door nieuwbouw (of afgenomen door sloop). Deze zogeheten areaalontwikkeling wordt bij de waardeontwikkeling niet meegerekend. De waardeontwikkeling wordt in deze atlas gebruikt om de mutatie van de ozb-tarieven te corrigeren. Immers, hogere waarden leiden vaak tot lagere tarieven, en andersom. Om de reële tariefontwikkeling te berekenen wordt voor de waardeontwikkeling gecorrigeerd.

Waardeontwikkeling woningen

De definitieve waardemutaties waren nog niet beschikbaar op het moment dat deze atlas is samengesteld. De vermelde waardeontwikkelingen betreffen voorlopige cijfers, verzameld door de Waarderingskamer. De gemiddelde waardeontwikkeling van woningen varieert van 1,6 procent in Pekela tot 16,1 procent in Diemen. Het landelijke gemiddelde bedraagt 8,7 procent. Voor 57 procent van de gemeenten geldt dat de waardeontwikkeling tussen de 3 en de 7 procent ligt.

16 Afvalstoffenheffing: tariefsystemen

Op de kaart hiernaast is te zien dat de meeste gemeenten het tarief van de afvalstoffenheffing laten afhangen van de huishoudensomvang. Ook een vastrecht komt nog wel voor. Soms is de tariefstructuur erg ingewikkeld.

Aandeel diftar aanzienlijk

Bij een vastrecht, of een tarief gekoppeld aan de huishoudensomvang, kost het aan de straat zetten van meer afval de burger niets extra, maar dit levert de gemeente wel meer kosten op. Door het ontbreken van een prijs voor het aanbieden van meer afval is de hoeveelheid afval vermoedelijk groter dan in de optimale situatie. Om de burger een direct belang te geven bij het beperken van de afvalstroom is het tarief in een groot aantal gemeenten daarom gekoppeld aan de aangeboden hoeveelheid afval (gedifferentieerd tarief, ofwel diftar). Op de kaart zijn deze gemeenten in blauw aangegeven. Men betaalt dan per kilo, per zak of per lediging (vaak gecombineerd met een vastrecht). Het aandeel gemeenten dat huishoudens meer laat betalen naarmate zij meer afval aan de straat zetten is vanaf de tweede helft van de jaren negentig flink toegenomen.

Dit jaar voeren 5 gemeenten diftar in. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten die diftar invoeren vaak in gebieden liggen waar al veel diftargemeenten zijn.[i] Dat is op de kaart goed terug te zien. In 2000 woonde 9,7 procent van de Nederlanders in een diftargemeente. Dat is opgelopen tot 31,0 procent dit jaar, tegen 30,0 procent vorig jaar. In de meeste gevallen hanteren diftargemeenten een bedrag dat afhangt van het aantal keren dat de container wordt geleegd (21,8 procent van alle huishoudens; doorgaans in combinatie met de grootte van de container). Betaling per zak (5,8 procent) of per kilo (3,3 procent) komt ook voor. Woerden hanteert een afwijkend tariefsysteem. In deze gemeente betalen huishoudens een vastrecht, maar als aantal ledigingen beperkt blijft dan krijgt men aan het eind van het jaar geld terug.

Met diftar minder afval

Uit COELO-onderzoek blijkt dat diftargemeenten per inwoner minder afval inzamelen.[ii] De hoeveelheid gft-afval kan vrij eenvoudig worden verminderd door zelf een compostbak in de tuin zetten. Bij restafval zijn de mogelijkheden wat beperkter. In diftargemeenten wordt meer afval gescheiden aangeboden (papier, glas enzovoort).

Hoewel diftar leidt tot minder afval, en dus tot kostenbesparingen, brengt het wel weer nieuwe kosten met zich mee. In gemeenten waar per kilo wordt betaald moeten afvalwagens worden uitgerust met meetapparatuur en er moet voor worden gezorgd dat huishoudens op de juiste manier worden gefactureerd. Ook voor burgers zijn er (immateriële) kosten. Zij gaan bijvoorbeeld vaker naar de glasbak. Per saldo blijken de kosten en de milieubaten ongeveer tegen elkaar op te wegen.[iii]

Naast milieuoverwegingen kunnen er andere redenen zijn om diftar in te voeren. Bijvoorbeeld dat huishoudens die weinig vuil produceren dan niet opdraaien voor de kosten veroorzaakt door huishoudens die veel afval kwijt willen.

Omgekeerd inzamelen

Onder het motto ‘afval bestaat niet’ worden huishoudens gestimuleerd afval zo veel mogelijk te scheiden waardoor dit kan worden hergebruikt. Ook is het in steeds meer gemeenten mogelijk om ook metaal en drankkartons gescheiden aan te bieden. Diftar kan huishoudens dan nog eens extra stimuleren om afval zo veel mogelijk gescheiden aan te leveren. Een relatief nieuwe manier om huishoudens te stimuleren om hun afval goed te scheiden is via ‘omgekeerd inzamelen’. In gemeenten met dit inzamelingssysteem worden afvalstromen die kunnen worden hergebruikt huis-aan-huis ingezameld. Het restaval moeten huishoudens zelf wegbrengen naar verzamelcontainers. In 2019 zijn er 29 gemeenten waar dit inzamelsysteem in de hele gemeente wordt gehanteerd.[iv] Deze gemeenten zijn op kaart 16 grijs omlijnd.


[i] Zie M.A. Allers, C. Hoeben (2010), Effects of Unit-Based Garbage Pricing: A Differences-in-Differences Approach, Environmental and Resource Economics, 45, 405-428.

[ii] Zie M.A. Allers, C. Hoeben (2010), Effects of Unit-Based Garbage Pricing: A Differences-in-Differences Approach, Environmental and Resource Economics, 45, 405-428; of M.A. Allers, C. Hoeben, Met gedifferentieerd tarief minder afval, ESB, 16 oktober 2009, blz. 621-622.

[iii] Zie M.A. Allers, C. Hoeben (2010), Effects of Unit-Based Garbage Pricing: A Differences-in-Differences Approach, Environmental and Resource Economics, 45, 405-428; of M.A. Allers, C. Hoeben, Met gedifferentieerd tarief minder afval, ESB, 16 oktober 2009, blz. 621-622.

[iv] Buiten de bebouwde kom is de afstand naar een verzamelcontainer voor restafval al snel erg groot. Een deel van de gemeenten die omgekeerd inzamelt haalt daarom het restafval in het gebied buiten de bebouwde kom wel huis-aan-huis op. Deze gemeenten zijn op de kaart weergegeven als gemeenten met omgekeerd inzamelen in de hele gemeente.

27 Woonlasten eenpersoonshuishouden met eigen woning

Maatstaf

Ozb, rioolheffing en afvalstoffenheffing vormen samen, na aftrek van een eventuele heffingskorting (in de 8 grijs-omlijnde gemeenten op kaart 27), de gemeentelijke woonlasten voor huishoudens met een eigen woning. Op de kaart hiernaast zijn eigenaren- en gebruikersheffingen samengevoegd. Huurders betalen minder aan de gemeente dan de kaart aangeeft (zie hiervoor kaart 31 en 32), maar de eigenarenheffingen kunnen bij hen (deels) in de huurprijs zijn opgenomen.

Er is discussie mogelijk over de beste manier waarop een woonlastenindicator kan worden samengesteld.[i] De kaart laat het bedrag zien dat een eenpersoonshuishouden in een woning met een gemiddelde waarde moet betalen. Met kwijtschelding is hier nog geen rekening gehouden (zie hiervoor kaart 40 tot en met 42). De gemiddelde woonlasten voor een meerpersoonshuishouden staan op kaart 28. Het gemiddeld betaalde bedrag voor een bepaald huishoudenstype geeft de beste indruk van de woonlasten voor huishoudens.

Vanuit de gemeenten gezien heeft deze woonlastenindicator het belangrijke nadeel dat geen rekening wordt gehouden met het feit dat gemeenten met relatief dure woningen minder geld uit het gemeentefonds krijgen. Deze gemeenten moeten daarom meer belasting binnenhalen om een gelijkwaardig voorzieningenniveau aan te kunnen bieden. Gemeenten met hoge woonlasten beschikken dus niet altijd over veel middelen om voorzieningen te bekostigen. Kaart 30 geeft een beeld van de bedragen die de gemeenten van de woonlasten overhouden (netto woonlasten).

Cijfers

De hoogste eenpersoonslasten voor een gemiddelde woning vinden we in Bloemendaal, met 1.330 euro. Blaricum bezet met 1.034 euro de tweede plaats. De meeste dure gemeenten hebben gemeen dat het gemiddelde huishoudensinkomen en de gemiddelde woningwaarde ver boven het landelijke gemiddelde liggen. Zoals gezegd hangt dit mede samen met de verdeelsystematiek van de algemene uitkering, die gemeenten met hoge woz-waarden in de praktijk dwingt tot hoge lasten.

Het goedkoopst is dit jaar Aalten (422 euro). Daarna komt Baarle-Nassau (472 euro). Gemeentelijke woonlasten voor eenpersoonshuishoudens kunnen in de ene gemeente dus 3,2 keer zo hoog zijn als in de andere. Het gewogen gemiddelde ligt op 672 euro. Dat is 21 euro (3,3 procent) hoger dan vorig jaar.

Heffingskorting

Gemeenten kunnen een heffingskorting verlenen, een overblijfsel uit de tijd van de zogeheten zalmsnip die tot 2005 bestond. Als de heffingskorting is gekoppeld aan een bepaalde belasting is het desbetreffende bedrag door ons simpelweg afgetrokken van het desbetreffende tarief. Alleen in de overige gevallen spreken wij in deze atlas nog van een heffingskorting.

Deze heffingskorting bestaat in 2019 in 8 gemeenten, één meer dan vorig jaar. De korting varieert van 16 euro in Veldhoven tot 181 euro voor in De Ronde Venen. De Ronde Venen compenseert via de heffingskorting het bedrag dat netbeheerders en het drinkwaterbedrijf de afgelopen jaren hebben doorberekend in hun tarieven omdat de gemeente hen precariobelasting oplegt. Het is efficiënter om als gemeente geen precariobelasting in rekening te brengen bij nutsbedrijven dan om dat wel te doen en dan vervolgens de opbrengst te gebruiken om de inwoners te compenseren. Inwoners uit andere gemeenten, die veelal niet profiteren van de voorzieningen van de heffende gemeenten betalen ook mee via de netbeheerder, maar ontvangen geen compensatie (zie ook kaart 35).


[i] Zie ook de Atlas van de lokale lasten 2001, blz. 15-18.

42 Woonlasten na kwijtschelding

Uitgangspunten

De mate waarin het kwijtscheldingsbeleid de woonlasten van een bepaald huishouden verlaagt hangt af van de hoogte van de kwijtscheldingsnorm, van de belastingen waarvoor kwijtschelding mogelijk is, en van het deel van de aanslagen waarvoor in principe kwijtschelding kan worden verleend (kaarten 40 en 41).

Kaart 42 hiernaast laat zien hoe hoog de woonlasten zijn van een meerpersoonshuishouden met een netto besteedbaar inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm voor (echt)paren, in een huurwoning met een waarde van 60 procent van de gemiddelde woz-waarde in de gemeente. Verondersteld wordt dat geen vermogen aanwezig is, dat de vaste lasten niet uitzonderlijk hoog zijn en dat kwijtschelding wordt aangevraagd. Een eventuele heffingskorting is in de woonlasten verrekend.

Woonlasten voor minima

In verreweg de meeste gemeenten worden de woonlasten in deze situatie geheel kwijtgescholden. Waar niet het gehele bedrag aan woonlasten wordt kwijtgescholden, is meestal gedeeltelijke kwijtschelding mogelijk (alleen rioolheffing of alleen afvalstoffenheffing, of een deel van de aanslag), of wordt geen kwijtschelding verleend maar kent het minimabeleid een soortgelijke regeling.

Laten we deze laatste groep buiten beschouwing, dan bedragen de woonlasten voor minima in 14 gemeenten meer dan 100 euro. In 264 gemeenten gaat het om 0 euro omdat het volledige bedrag wordt kwijtgescholden.[i] Huishoudens met een minimuminkomen betalen het meest in Alphen aan den Rijn (230 euro). Die gemeente scheldt de gehele afvalstoffenheffing kwijt, maar de rioolheffing niet. In Hattem, De Ronde Venen, Drimmelen, Leudal en Zwijndrecht betalen huishoudens met een minimuminkomen geen gemeentelijke belastingen en krijgen ze een heffingskorting op hun rekening gestort. Het bedrag dat huishoudens ontvangen varieert van 181 euro in De Ronde Venen tot 22 euro in Zwijndrecht. Gemiddeld betalen minima in Nederland 15 euro aan woonlasten.

Voor Groningen is uitgegaan van een huishouden dat niet langdurig een minimuminkomen heeft. Als het inkomen vijf jaar of langer op of onder het sociaal minimum zit, wordt de afvalstoffenheffing geheel kwijtgescholden en bedragen de woonlasten 0 euro.


[i] Eén gemeente, Westerkwartier, had het kwijtscheldingsbeleid nog niet vastgesteld tijdens het schrijven van de Atlas. De gemeente is dit jaar ontstaan uit een herindeling en het kwijtscheldingsbeleid van de fusiepartners verschilde sterk.

43 Toeristenbelasting: Tariefsystemen

Algemeen

Het aantal gemeenten dat toeristenbelasting hanteert groeit al jaren gestaag.[i] Dit jaar kent 83 procent van de gemeenten een toeristenbelasting. 9 (delen van) gemeenten voeren deze in. Geen enkele gemeente schaft de belasting dit jaar af.

De tariefstructuur van de toeristenbelasting kan buitengewoon ingewikkeld zijn, met aparte tarieven voor campings, bungalows, diverse soorten hotels, enzovoort. Wij hebben primair gekeken naar hotelovernachtingen. Waar geen hotel is kan de belasting betrekking hebben op een overnachting in een pension of op een camping.

Tariefsystemen

Een vast bedrag per overnachting komt het meest voor (in 76 procent van alle gemeenten, zie de figuur onder de kaart). Soms wordt wel reductie gegeven voor scholen of andere groepen. Ook komt het voor dat het te betalen bedrag afhangt van de overnachtingsprijs (in 4,8 procent van de gemeenten) of het aantal sterren van het hotel (0,8 procent). Dit komt met name voor bij de grote steden. In sommige gemeenten betalen kinderen een lager tarief (bijvoorbeeld in Rucphen) of geen toeristenbelasting (bijvoorbeeld in Alkmaar). Op Schiermonnikoog is de eerste overnachting duurder dan latere overnachtingen bij een meerdaags verblijf. Op Ameland, Terschelling en Vlieland betalen toeristen niet alleen een bedrag per overnachting, maar ook een bedrag voor aankomst op het eiland. Dat laatste zit verwerkt in het tarief van de veerboot.

Forfaitaire bedragen

Veel gemeenten maken gebruik van forfaitaire bedragen. Een hotel of camping wordt dan bijvoorbeeld aangeslagen voor een van tevoren vastgesteld aantal overnachtingen. Is het werkelijke aantal lager, dan kan de eigenaar verzoeken conform het feitelijke overnachtingstarief te worden aangeslagen.

 

 

Percentage van de bevolking per tariefsysteem


[i] Zie C. Hoeben (2018), Gemeenten heffen vaker en méér toeristenbelasting, ESB, https://esb.nu/kort/20040294/gemeenten-heffen-vaker-en-meer-toeristenbelasting

48 Tarief paspoort

Algemeen

Om naar het buitenland te kunnen reizen is een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart nodig. Een identiteitskaart is iets goedkoper dan een paspoort, maar wordt lang niet door alle landen geaccepteerd. Een paspoort wel. Beide reisdocumenten zijn verkrijgbaar bij de gemeente waar men staat ingeschreven. Paspoorten en identiteitskaarten voor iemand die jonger is dan 18 jaar zijn goedkoper dan de hier weergegeven bedragen. Dergelijke identiteitspapieren zijn dan vijf jaar geldig.[i] We gaan hier uit van identiteitspapieren voor volwassenen die tien jaar geldig zijn.

Tarief

Voor zowel paspoorten als identiteitskaarten geldt een maximumtarief. Het maximumtarief voor een paspoort is 71,37 euro. Hiervan is 40 euro voor het Rijk (5,39 meer dan vorig jaar) en 31,37 (0,68 euro meer dan vorig jaar) euro voor de gemeente. Kaart 48 laat zien hoeveel een paspoort in iedere gemeente kost. Sommige gemeenten geven in bepaalde perioden kortingen om te voorkomen dat er in piekperioden grote drukte ontstaat bij de loketten. Hiermee is in de kaart geen rekening gehouden.

Het goedkoopste paspoort wordt verstrekt door Noordwijk (62,50 euro). Het duurst zijn de 271 gemeenten die het maximumtarief hanteren (71,37 euro of het afgeronde bedrag (71,35 euro)). Het maximumtarief is in de praktijk dus het standaardtarief geworden.

De gemiddelde prijs bedraagt 70,68 euro. Dat is een stijging van 5,46 euro (8,4 procent) ten opzichte van vorig jaar. Deze stijging komt voornamelijk doordat het rijksdeel, het deel van het tarief dat voor het rijk is, is gestegen (5,39 euro).


[i] Het maximumtarief voor een paspoort voor iemand die jonger is dan 18 jaar is 53,97 euro, het maximumtarief voor een identiteitskaart voor iemand die jonger is dan 18 jaar 29,95 euro.

56 Dakkapel

Omgevingsvergunning

Sinds 1 oktober 2010 zijn vergunningen voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu allemaal gebundeld in de omgevingsvergunning. Van deze vergunningen trekken de kosten voor het bouwen en verbouwen van woningen de meeste aandacht. Er is kritiek op de verschillen in de tarieven die gemeenten hiervoor rekenen, en op de onduidelijkheid over de achtergronden van deze verschillen. Gemeenten mogen niet verdienen aan de kosten die ze in rekening brengen. De ene gemeente maakt echter hogere kosten dan de andere en, belangrijker nog, hanteert een andere methode om deze kosten over de aanvragers te verdelen. Het is moeilijk om objectief vast te stellen hoe hoog de kosten zijn van een aanvraag voor een dakkapel in verhouding tot die van een nieuwbouwwoning. Een gemeente waar de ene soort aanvraag relatief duur is kan voor een andere aanvraag juist goedkoop zijn. Daar komt bij dat de aantallen aanvragen op voorhand niet bekend zijn, en per jaar sterk kunnen variëren.

Er is ook kritiek op de verschillende tariefsystemen die gemeenten hanteren. Het tarief kan een vast percentage van de bouwsom zijn, maar ook zaagtandconstructies komen voor. De gemeente hanteert in dat geval gestaffelde bouwkosten en per staffel geldt een vast bedrag. De Hoge Raad heeft in 2017 bepaald dat zo’n tariefsysteem niet in strijd hoeft te zijn met de wet of een rechtsbeginsel.[i]

De kaarten hiernaast geven de bedragen per gemeente voor drie verschillende bouwprojecten. In de meeste gevallen zijn de kosten van een vergunning gekoppeld aan de bouwkosten. Waar dat niet het geval is, is de desbetreffende gemeente grijs gelaten.

Dakkapel

Niet elke dakkapel is vergunningsplichtig. Dat hangt onder meer af van de omvang en de ligging. Kaart 56 gaat uit van een dakkapel waarvoor wel een vergunning moet worden aangevraagd, en van bouwkosten ter hoogte van 10.000 euro exclusief btw.

Een vergunning voor een dergelijke dakkapel is het goedkoopst in Leiden: 41 euro. Voorschoten is met 960 euro het duurst. De gemiddelde kosten bedragen 337 euro, 0,7 procent meer dan vorig jaar. In 63 procent van de gemeenten liggen de kosten tussen 200 en 400 euro.


[i] Hoge Raad 30 juni 2017, nr. 16/05127.